maandag 31 maart 2014
Intro.
De brieven van Aelaeius-Tharacius Rashidus Olisipus, tijdens zijn verblijf in het Koninkrijk Paekche, in het 20e regeringsjaar van Koning Onjo.
Wij zijn gisteren gearriveerd. Het klimaat is warm, ongeveer gelijk aan die van Spanje. Mijn aankomst was zwaar: de lokale bevolking achte het vreemd donkere mannen te ontvangen in hun gemeenschap. Verder zijn wij openlijk geweigerd in bepaalde publieke ruimten. We troffen gelukkig een aantal edellieden uit de hoofdstad die Grieks verstonden, met enige basiskennis in het Latijn. Zij toonden grote belangstelling voor Griekse en Romaanse beeldende kunst. We konden een kleine woning huren aan de rand van een lokaal dorp. Maar uiteindelijk bleven de Numidiërs met de woning. De kosten zijn ongeveer 1 dinari per week. De Hebreeën probeerden kennis op te doen van de lokale taal. De bevolking was vreemd genoeg open om hen erin te onderwijzen. De Lusitanische en Romeinse mariniers richtten een huisje op in Griekse stijl. De mannen hadden nog geld over van hun soldij. Bij elkaar hadden zij zestien dinarii besteed aan de bouw van de woning.
Bij mijn vertrek vanuit Augusta Emerita heb ik zes Numidische schrijvers, twaalf Lusitanische mariniers en acht Hebreeuwse vluchtelingen meegenomen. Daarnaast waren er enkele Romeinse mariniers aanwezig. Samen, 34 man, vertrokken wij met drie schepen naar de militaire vestiging Cacela. De tocht over de Anas rivier verliep zonder problemen.
De lokale overheid besteedde geen aandacht aan de vluchtelingen. Normaal zouden ze worden opgepakt en gevangen gezet. Een van de mannen deelde mee [aan mij] dat zij tijdens het koningschap van Herodus I, waren gevlucht naar Baetica. Ze zijn vervolgens Lusitanië getrokken, in de hoop werk te vinden. In de haven van Augusta Emerita werkten zij jarenlang als schoonmakers en ze hielpen regelmatig- tegen zeer weinig loon! - bij het laden en lossen van de vracht. Toen ik mijn expeditie begon naar Sino, koos ik ervoor hen als bedienden mee te nemen.
De reis tussen Cacela en het Britse havenstad Deva duurde 11 dagen. Wij maakten geen tussenstop bij andere steden. Vervolgens verbleven wij één week in Brittanië. Daar maakten wij kennis met een gezant uit het Han-Keizerrijk. Hij deelde mee dat wij, indien we naar Sino wilden reizen, het beste in het gebied van de Sarmatianen konden trekken. De reis zou, te land, ongeveer 35 dagen duren.
Twee Lusitanische mariniers haakten af en bleven achter in Brittanië. Wij trekken de Oceanus Germanicus (Noordzee) over en arriveerden in het land van de Cimbri. Verder staken wij twee zeeën over en kwamen aan bij het gebied van de Sciri en Gothen. Wij konden gemakkelijk doortrekken, te paard. In totaal duurde onze tocht 52 dagen, vanaf ons vertrek vanuit Brittanië tot onze aankomst in Peking. In Peking kochten wij proviand. Na zes dagen vertrokken wij naar het Koninkrijk Paekche, een reis dat twee dagen duurde. In totaal hebben wij 73 dagen erover gedaan (10 weken en drie dagen) ongeveer 2,5 maanden over onze tocht.
Deze brief zal ongeveer drie weken nodig hebben om te arriveren in Spanje. Hierdoor zal ik wekelijks een bericht sturen, opdat men op de hoogte blijft. Mijn doel is drie jaar te doorbrengen te Paekche. In tussentijd zullen af en toe mariniers terugkeren. De Hebreeën zullen na verloop van drie jaar mogelijk terugkeren naar Judaea.
Abonneren op:
Reacties (Atom)